184
Nou zag-ie zelf ’t bed, dat zoo wit was, alsof d’r ’n laken over lee. O God, wat... was... dat... allemaal... verschrikkelijk... terwijl... d’r... toch... niks... was.
Langzaam, telkens met dat beverig-koue gevoel in z’n haren, alsof iemand d’r langzaam over streek, stak-ie de lamp weer aan, trok de dekens over het hoofd en ging weer tellen... Een... twee... drie... vier... vijf... zes... zeven... acht... negen... tien... ellef...