POPPEN WINKE L.
Zaterdagmorgen bleven de luiken gesloten.
Kennisgeving werd niet rondgebracht. Ze was dood. Ieder wist het. Dag aan dag had de dokterskoets voor de deur gewacht. De luiken waren dicht.
Hij kwam niet thuis dien avond.
Voor zoolang als het duurde sliep hij bij zijn zuster. Hij was te klein behuisd. Vóór was de speelgoedwinkel, achter de huiskamer, waarin de alkoof stond. In de huiskamer hadden ze geleefd. Ze was groot genoeg geweest voor alles. Nu er een lijk lag, was het huis te klein. Veel te klein.
Zwager en zuster waren zulleke hartelijke mense. — Nou ie in z’n bed lag, begon-ie weer te huilen, omdat ze allemaal zoo hartelijk voor ’m waren. — Ze hadden koek laten halen bij de koffie en een sigaar met een goud ringetje. — Dirk had ’m voorgelezen van Van Maurik om ’m af te leien. — Ze wouen maar niet dat-ie in gedachten zat, zulleke goeie, beste mense! — Maar nou lag-ie dan toch...