177
„Dolf, trek jij de witte wijn eens open.” „Voorzichtig, Dolf! . .. Niet zoo hard! .. . Pas op anders breekt de hals.”
„Hè, wat een slag!”
„Pas op, pas op, jongens .. . ’t is op slag van twaalf!” „Haast je dan Dolf, schenk de glazen in! Gauw dan wat, jongen! . . . Pas op! . .. Dat was d’r haast naast. . . Nou Marie nog” . . .
„Stilte.. . Hou even jullie monden!”
„Hoor je buiten de stoombooten?”
„Wat een lawaai.”
„Stil dan toch!”
„Die klok deugt niet. . . hij wil niet slaan!”
„Hè wat een schot! wat hebben die menschen er an om te schieten!”
„Stil! Stil! Hoera!... Hij gaat slaan!”
Zachtjes bromt de klok. Ze zitten allemaal stil. Tik...Tik...
De meisjes zoenen vader en moeder. Vader staat met groote vochtige oogen en snuit z’n neus. Moeder dribbelt tegen als Klaar en Leentje haar tegelijk pakken. „Dolf. . . hartelijk gefeliciteerd!” . . .
„Nog veel jaren .. .Hoera! ... Dat glas is voor Jo!. .. Lang leven Dolf en Jo! Hoera!”
„Dank je! Dank je !”
„Meneer en mevrouw, wel gefeliciteerd.” — Da’s Anna, de keukenmeid.
Ze is even boven gekomen, geeft ieder de rooie, groote hand.
„Dank je Anna.”
„Anna, een glas wijn?”
„Alsjeblief, mijnheer... Mijnheer Dolf, wèlgefelici-
SCHETSEN. 12