174
„Zet dan ’n ander gezicht! ”
„Héb ik niet gezegd” . . .
„Ja, ja, vadertje!”
De kip gaat rond. Leentje heeft aardappelen gebakken en appelmoes gemaakt.
De vorken en messen tikken tegen de borden. Het licht schijnt gezellig op de zes menschen, op het witte tafelkleed, op het zilver, op de glazen wijn.
„Veertien minuten voor twaalf,” zegt Klaar.
„Veertien en een halve,” zegt Leentje.
Ik wil het nieuwe jaar dronken ingaan,” ginnegapt Klaar.
„Proost,” drinkt Leentje.
„Eten jullie nou maar,” zegt vader, die ’t heerlijk vindt dat ze zoo vroolijk zijn: „eten jullie nou maar, elke kip heeft geld gekost!”
De vorken en messen rinkelen.
Dolf houdt het kippepootje met de zilveren vork vast, snijdt met het blinkende mes. Hij kijkt even op, ziet ze allen vroolijk, gezellig, vader, moeder, Marie, Klaar, Leentje. Hij probeert te eten. Het gaat niet. Het gaat niet. ’t Kropt hem in de keel. Hij zou wel weg willen gaan, om ergens in ’t donker te huilen. Pas op .. . nou huilt-ie . . . Laten ze ’t in Godsnaam niet zien .. . Een hap en kauwen . . . De oogleden doen pijn zoo ... Ze branden . .. Nou ziet-ie niks van z’n bord, van z’n zilveren vork, van het witte tafelkleed, van de rooie wijn ... niks, niks, niks... Alleen wat sterren en stralen van het licht in de tranen, die hij wil inhouden... God! Daar glijdt er een langs z’n neus .. . zachtjes... gloeiend-heet... Nou zullen ze ’t zien ... Als-ie zich beweegt zullen ze ’t zien . .. Als-ie