170
ken. D’electrisclie lichtjes glunderen sterk aan de kronen. Kellners, als heeren in gala, loopen beweeglijk om de lange, groote tafel, die bloemstukken draagt en verborgen is onder witte, spierwitte kleeden. Ze dragen stapels servetten, de kellners, en ord’nen de tafel. Beneden de eetzaal, brandt licht ook. Het is alles te zien zoo. Hier rijen groote houten, blankge-schuurde tafels, dragende glimmende koperen pannen. Een kok, met een buik van beteeknis, ordent pasteitjes, een ander klutst met een lepel.
Het wordt donkerder. Scherp lijnen de zware omtrekken van ’t Amstelhötel in de sneeuw-zatte, triestige lucht. Hoog in ’t gebouw zijn de vensters verlicht, gele vierkanten in ’t donker der muren, lijkend als lichtende oogen van ’t slapend gebouw. De muren staan zwijgend en zwart, plomp overbuigend de lanen van sneeuw er om heen. Stevig en koud is het gebouw, log en solide als de ijzeren brug over het water, sterk en groot als de pijlers, die dragen het zware gevaarte.
„God zal je zegenen!”
De man op den grond met het stompje van been, bibbert. Hij lijkt vastgevroren aan den grond, aan den grond van onbarmhartigheid, aan den grond, die ’s zomers verblakert in warmte van zon, aan den grond, die het groen draagt, de bloemen en zaden, aan den grond van sneeuw en ijs, aan den grond van ellende, wanhoop en ruwheid. Hij zit stil tegen de leuning der brug met het gezonde been en het been-stompje en de krukken, stil op den bruuten, killen, massalen grond. Hij klappert de tanden en herhaalt monotoon tot de menschen, die hebben gereden en warm zijn... „God zal je zegenen.”