ióg
rood-wit-en-blauw, rimpelen zacht, bits klapklepperend in den wind.
Over het heele water gaat het stemmengejoel van drukke, bewegende menschen. Het is als een straat, een plein in feestdos bij avondschemering.
Nu komt harder aanrukken de wind, gierend met stootjes en stuivend wilder de witte bevroren stof.
„Een doossie lucifers... een cent maar... God zal je zegenen !” ...
Op de Hoogesluis, aangehurkt tegen de leuning der brug, zit een man op den harden, wreeden, geweldigen grond. Het eene been is afgestompt bij de heup, het andere gezond, stevig, ligt rechtuit op het trottoir. Het beenstompje is ingenaaid inpilow-broek. Vierdingen rusten op den grond, het beenstompje, het gezonde been en twee lange harde krukken. De eene kruk ligt dwars, dient voor zitplaats. De rug kromt aan tegen de ijzeren spijlen der leuning. Het hoofd is ruw met uitpuilende jukbeenderen, met grijze, fletse oogen. Om het middel gebonden een tasch met doosjes lucifers.
Hier, op de Sluis, kun je goed zien de ronddraaiende slee, hooren de rinklende bel. Hier ook zie je prachtig den Amstel met de bruggen rechts, aan de overzij. Hier zie je het ijsveld, wit en donzig, de duizend menschfiguren, aansnellend, wègvluchtend. Hier zie je de trams, rommelend over de brug, die schor dreunt en bromt als de roestige wielen knarsig rondwentlen in de ijzeren voegen, en langs de steenen balustrade staan kijkers, die wijzen als een kraan in het rijden figuren op ’t ijs maakt
In het deftig Amstelhötel worden de lichten ontsto