NAAI MUGJE.
Bij de rood-lichtende lamp las ze. Ze was aan het derde hoofdstuk: Een stormachtige nacht.
„Daar knalde een pistoolschot; de edele chevalier „struikelde, en scheen op ’t punt om in de knieën „te zinken — doch neen, hij vervolgde zijn weg, „wankelend, als iemand, die beschonken is, maar „toch snel genoeg om in de duisternis verdwenen te „zijn, eer de man, dien hij had willen verderven, „hem achterhalen kon . . .
„Een wanhopende gil hield den vervolger terug „in zijn loop: was dat de stem zijner vrouw? O God, „had hij haar getroifen! Haar, die hij ten koste van „ goed en bloed zou willen behoeden voor ongeluk en „schande? Sidderend van zielsangst wankelde hij naar „de plek waar de twee vrouwen zich bevonden.
„Goddank! zijne Julia was ongedeerd. Bleek, „bévend, doch behouden stond zij daar, als een beeld, „zoo roerloos. Céline lag bezwijmd aan hare voeten „in ’t vochtige gras.
„„Violet?” brengt de man met moeite uit. „Violet! „hoe komt zij hier? Wie was die — die — andere, „die man? Zonder te antwoorden buigt..