had-ie nog zoo om-je-voor-iedereen-dood-te-geneeren z’n eigen wil gedaan, was je vader, gaf je herinneringen, nou-ie ’t af had geleid... Gijs, oudste zoon, zélf met twee bengels, snoot hardop z’n neus, keek door de kieren van ’t neergelaten portiergordijntje - Hendrik, man van Sientje, uit Den Haag overgekomen, hield bedrukt den hoed tusschen de knieën: driemaal had-ie ’m al gedeukt - Bertus, bleeke jongen van twintig, maanden geëngageerd, en niet heele-maal kwaad van vader gescheiden, omdat-ie ’n filiale in de Kerkstraat op had gericht - zaken waren zaken - leunde moe achterover, den hoogen zijden doorstriemd als met vleermuizenvlerken - Jacob, de jongste, met September negentien, keek naar de slijkpunten van z’n bottines en ’t modder-gesputter op z’n broekspijpen. De heele lamme, miserabele historie leefde op.
Als vader ’n goed jaar geleden was gestorven, zouen ze an ’t sterfbed geweest zijn, niet als vreemden achter ’m an hebben gereden -van af de Hoogstraat...
Meegaan van de grutterij, waar-ie onverwacht in ’n beroerte was gebleven - meegaan van de grutterij uit, hadden ze verdraaid - voor de buren en haar... De weduwe...
... De weduwe... Nog geen twee jaar na moeder’s dood...
Gijs, Bertus, Jacob - later Hendrik, toen alle redeneering op den kop van vader afstiet - hadden honderd uit gepraat, gepraat met overreding, gepraat met drift, gepraat met gezond verstand, gepraat met bedekte dreiging - je kon makkelijker ’n steenen muur bewerken as diè man, die z’n heele huwelijk z’n wil tot in kleinigheden door had gedreven, nooit tegenspraak hóóren wou, met z’n vuisten ’t tafelblad behamerde, iedereen ’t stilzwijgen opleggend, als-ie in de knel zat. ’n Man van over de vijftig - laat getrouwd -met kinderen, waarvan een meerderjarig: hertrouwen dadelijk na den officieelen rouwtijd - zonder iemand’s raad te vragen - en wat erger was - wat de deur dicht dee - ’n man die ’t dikwijls zóó an z’n hart had, dat de dokter ’m ’t trappenloopen verbood...
Bertus, die thuis slièp, en Jacob, heelemaal afhankelijk, waren ’t huis uitgeloopen, den dag van vader’s ondertrouwen. Nóóit met dat mensch, die over vader’s kwaal ingelicht was, ’m tóch wou - nooit met diè onder één dak.
Ze ging met ’m naar ’t stadhuis voor z’n centen - duidelijker kon ’t niet - en al was ze ‘verliefd’ op ’m - hoor, verliefd! - dan ver
192