Weemoedig vulde ik in ‘geene’, en dien nacht, waarschijnlijk als gevolg van gepeins en weemoed, droomde ik verward en afschuwelijk -, pendant voor de merrie in mijne nachtmerrie, die van het biefstukpannetje likte, vele jaren geleden.
Er werd zeer duidelijk tweemaal gebeld: tweemaal voor tweehoog. Mijne familie was uit, ook de hospita. Ik was alleen thuis met een harige, zwarte poes (niet te verwarren met Pieps, die nog steeds gezond is, eerstdaags opnieuw moeder wordt), keek gemakshalve over het balkon naar beneden. Ik zeg over het balkon: het was een nauwe straat met allemaal balkons, balkons aan de overzijde, balkons op zij, balkons overal. Op de stoep stond mijn palfrenier met de paarden, een bruin en een zwart. Mijn paarden zonder eenige quaestie. Ik twijfelde er zelfs niet aan. Evenwel werd ik onrustig, niet wetend hoe ik er mee aan moest. Er scheen iets in mijn leven gebroken te zijn, iets waarbij het gewone gezond verstand het aflegde.
‘Breng ze maar op, John/ schreeuwde ik, terwijl ik den huissleutel afwierp.
Hij opende de huisdeur, nam het bruine paard bij de teugels, trok het ’t portaal in. Vreemd - twee-hoog paarden! Ik liep naar de hooge, steile trap, zag John beneden wurmen. Het paard ging geweldig te keer, steigerde, bliefde zich schrap te zetten. Ik wierp een kropje salade halfwege. Het paard trappelde de trap op, greep de krop, liep weer achteruit, keek mij met zware, fonkelende oogen aan. Wat zoo’n beest ’n streken kan hebben!
‘Geef ’m ’n mep John?’, schreeuwde ik, zweetend van inspanning. John sprong op het gezadeld paard, gaf het de sporen.
Zonder uitwerking. Het edele dier hinnikte smartelijk met de krop sla in zijn bek, weigerde pertinent.
Op het geraas kwam de juffrouw van één hoog op haar portaaltje. ‘Wat mot dat nou?’, vroeg ze zeurig.
‘Ik mot me paarden,’ lei ik uit.
‘Nou, da’s wat moois voor me trappe,’ klaagde ze.
°k Zal je d’r wat voor geven,’ zei ik edelmoedig.
‘Nou, kijk nou is, hoe dat beest me schoone trappen bevuilt,’ begon ze te kijven.
‘Pas maar op,’ waarschuwde ik: ‘als je overreden wordt, is het te laat...’
169