ZESDE KAPITTEL.
PERROL MET DE ROODE HAND.
„Eens heb ik de dalende zon gevraagd te wachten, „Eens heb ik van dichte-nachtschaduw „Het luchte, vluchtige vlieden beklaagd —
„En nu! — En nu!”____
(Ellen, Fred. van Eeden.)
„Als ’t vannacht wéér lukt,” zei de heer Zwaluw, z’n riem toegespend op zolder: „dan inviteeren we nog déze week burgemeester en wethouders, den Raad, den dominee, den notaris, den dokter en dan geven we in besloten ruimte op klaarlichten dag een s é a n c e.”
’t Langer in stilte, als inbrekers, te doen, leek niet verkieslijk en daarenboven de toestellen waren zoo uitnemend en zulk een verrassing voor de menschheid, dat het in zekeren zin plicht werd, de openbaarheid te verhaasten.