82 VIJFDE KAPITTEL.
nu, eenigzins meel ij den d, zei-ie ingehouden:
.... „Kind, wees niet zoo klein! De heele wereld ligt voor ons open en jij kijkt naar goten en daken! Je snapt nog maar half welke gróótsche revolutie los gaat barsten”
Starend, als ’n ziener, ’n verklarend profeet gelijk, dronk-ie van ’t héét avondgrogje, dat Amélie klaar had gemaakt (zie ook illustratie op blz. 28).
„Gesteld,” sprak-ie, met de lippen smakkelend: „gesteld dat over twintig jaar iedereen vliegt, zooals nou ièdereen fietst — over twintig jaar huur je zoo goed vliegmachines als nou fietsen — over twintig jaar krijg je rechtszaken over gegapte vleugels — gesteld dat wij dan nog gezónd mee kunnen doen, ouwetje, dan zul je je oogen niet gelooven” ....
Weer wees z’n wijsvinger 'n rechte lijn op de globe, weer gaf-ie z’n geniale invallen .... : „reken is an — hiér, die bleeke broodkruimel, da’s Holland — en daar bij den staart van En-gelsch-Indië heb je óns Sumatra, óns Java, óns Borneo. Wat hebben we daaran tot vandaag toe gehad? Geen sikkepit! Zes, zeven weken noodig, telkens, om er mannetjes heen te zenden! ’t Kanaal van Suez kun je voor mijn part laten verzanden. Geef ’t heele dappere hollandsche leger vliegmachines en we peddelen linea recta overDuitsch-