76 VIERDE KAPITTEL.
Mevrouw dróómde benauwd en hideus. De nachtuil zat ’r dwars. Ze vloog door de Ruimte, opgehitst door kol-oogende vleermuizen en uilen — *r man voor 'r uit was op de jacht. Die trok ’n fuik achter zich aan, al maar peddelend en klepperend — de fuik vulde zich met wilde eenden, spreeuwen, lijsters — ’t werd ’n zoo raak geschreeuw en gekakel van gevangen, spartelende vogels, dat ze stikkend opstutte en moeite had 'ï nachtkastje met 't oliepitje en meneer s revolver te herkennen. Uitgeput sliep ze in, droomde nog eens van de vreemde, beangstigende jacht boven de schoorsteenen ....
Amélie, met de onbezonnenheid van jeugd, lei gelukzalig te glimlachen. Als ze 'r oogen sloot, vloog ze nog, voelde ze de suizing van den wind, zag
Zwaluw, met ’t gez werm van wilde eenden, spreeuwen en lijsters, deed een wanhopig beroep op de fantasie van den teekenaar. Door op den laten nacht zwaar te eten, heb ’k getracht mijzelven eene nachtmerrie van gelijke woekerende draagkracht te bezorgen. Zónder gevolg. Eten op den nacht pleegt me goed te bekomen. Onmiddelijk na ’t koel ochtendbad, heb ’k mij op dezen fantasie-arbeid geworpen — met een waarlijk gunstig resultaat. Men gelieve wilde eenden, spreeuwen, lijsters enz. naar eigen lust te herkennen. En wie zich geroepen voelt over dit inspannend werk te smalen of er afkeurend over te spreken, die be-proeve het zélf met fantasie en N e e 1 m e ij e r. Ja, voorwaar! Er is niet één proza-kunstenaar binnen de grenzen van dit land, die mij in gedrochtlijke teeken-fantasie benadert of overtreft. Ook dat is een maatstaf. S. F.