72 VIERDE KAPITTEL.
„Wat gil je, krankzinnig mensch!”, vloekte meneer.
„Mevrouw loopt in ’n broek!”, klaag-huiide Chris.
In de hitte der vuurlooze gebeurtenis hadden ze allen 't sportkostuum vergeten en in de nieuwe hitte van diè ontdekking werden ze nog verrast door ’t hoofd van ’n politieagent, die over ’t kozijn keek en met gezag an z’n snor draaide.
„Is ’t weer gaan smeulen?” —, vroeg-ie vluchtig aantikkend.
„Nee! Donder op!”, vlamde meneer.
„Waarom gilt die meid dan zoo?”, redeneerde de agent: „en hoe kom u ’t huis binnen? ’k Ben op order van de burgemeester niet van de deur geweken — dat mot ’k verantwoorden .. .
„We zijn achter binnen gekomen,” loog Pieter
teekening, getrild, gezwoegd, getranspireerd en geleden heeft. Ofschoon men over die struggles zwijgt, gevoel ik mij toch gedrongen te verklaren, dat’k mijn klok en mijn klepel vièrmaal opnieuw in studie gezet heb, voor ’k eenige artistieke zelfvoldoening smaakte. „Ornamentiek”, spreekt "Walter Crane, dien 'k vroeger reeds citeerde: „is geen wis- of meetkunde, maar er bestaat voor ornament „een zekere logica van lijn en kleur, die, gegeven zekere „fondamenteele vormen, bepaalde noodzakelijke gevolgen
„eischt'’ Bij het schetsen van mijn klok en het in beeld
zetten van een vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen, gewerd mij de gelukkige ingeving dat alarm te symboliseeren. En daar in ’t algemeen het groote publiek, hoe verlekkerd t ook op symbolen is, eene verklaring noodig heeft — aller -uitnemendst zorgt hiervoor de Heer Van Logchem op de