70 VIERDE KAPITTEL.
„Maak geen gekheid,” zeide mevrouw in diepste moeheid, geprikkeld, en zéér onder den duisteren indruk der klokketonen: n’k zeg ’r dadelijk de dienst op.”
Driftig liep ze de trap af, beklopte de deur der logeerkamer.
„Wie daar?” —, vroeg Chris, met kroppende angst-mannestem.
„Ik! Mevrouw! Doe open!”
Chris zat op bij fr kaars — ’n nieuwe — die wild-wapperend week op den tocht der deur, daar ze voor alle veiligheid ’traam weer had opgeschoven, wachtend op de vreemdverdwenen familie.
Meneer, Amélie, Kobus, yt heele huishouden trad binnen.
„Wat heb je in ’s hemelsnaam voor gekke streken uitgehaald?” —, driftigde mevrouw: „je kan morgen ....”
Voor de derde maal in ’r discours werd ze gestoord.
Chris, achteruitdeinzend naar ’t open raam, ’t raam met z’n geweld van brandalarm-klokke-slagen, snerpte ’n fel-fluitenden gil. Want de familie zoo inééns uit de lucht gevallen en mevrouw en de juffrouw met ouwe broeken van meneer an — dat was nou is geen nachtmerrie, maar een alleron-fatsoendelijkste werkelijkheid.