HOLLAND IN DE WOLKEN EN ZEGEPRAAL. 165
Immers, zoo als hij, zoo onbeschaafd, zoo ruw, zoo ex-slagerachtig öngedistingeerd, gaf niet één man in Holland de brute echo van het Ontastbare.
Vandaag, prettig-verzadigd, lichaams-evenwich-tig als op dien vèr-geleden Zondag toen ze bij likeurtjes en bemuis-te beschuitjes kraamontvang-dag hield, vandaag eerbiedig begroet door de dorpenaren, die de speech des burgemeesters in e x-t e n s o in het plaatselijk blad hadden gelezen — vandaag duldde ze zijn gesnork, ’t robust getre-moleer van ’n robust geweten — vandaag hoorde ze er geluiden in, die alleen de liefde, de pure, rijpe liefde eener vrouw ook in dat on-aesthetische, beluistert, verschoont, begrijpt.
Er was in diè uren op Casa Cara het volmaakte, het harmonieuze, het subtiele.
Af en toe ging de schel over, kuchte een visitekaartje in de bus, nieuw aandoénlijk bewijs der publieke belangstelling.
De menschen schenen van alle zijden door eene kiesche veneratie bezeten.
Wildvreemden namen de hoeden af.
Jans, die uit Friesland terug was, Chris, Kobus (plechtiglijk ontkerkerd na meneer’s bewustwording) werden aangesproken, befluisterd, b e f o o i d.
De melkboer gaf ’n scheutje toe, wijdscher dan z’n duim in de pint had verschalkt — de jongen