144 NEGENDE KAPITTEL.
’n Boerensjees reed voorbij.
„Hallo!”, riep de heer Zwaluw.
„Waablief?” —, schrikte de boer, wantrouwend het vreemde heer taxeerend, dat in ’n fatsoenlijk, doch verregend en gescheurd pak en met *n gebroken fiets onder den arm, noodseinen wrikte. „Mag 'k meerijjen — ik zal ’t goed met je maken?” „Om de weerlicht nie,” betoogde de man in de
sjees; „jij lijkt wel erges uit-gebroke te zijn ”
„Dat bèn ’k ook,” praatte Pieter Zwaluw; „uit 5t kerkhof.”
De boer trok de leidsels aan.
„Rij in Godesnaam niet door!”, smeekte Pieter, ziek van pijn en duizeligheid: „ik geef je vijf en twintig gulden as je me na 't dorp brengt!”
’t Bankje, uit z'n vestzak gegrabbeld, had uitwerking.
„Stijg dan maar op,” zei de boer het papiertje grijpend en gelijk naar z’n mes tastend voor ’t geval dat de rare sinjeur streken zou uithalen.
De heer Zwaluw, zachtjes kermend, sjorde zich omhoog. En de sjees kreeg ’n zalige beweging dorpwaarts.
„Heb jij je poot bezeerd?”, vroeg de boer. „Ja,” zei de heer Zwaluw op *t punt te ön-machtigen.
„Hoe komt dat dan zoo?”, hield de boer aan,