142 NEGENDE KAPITTEL.
haarspeld, stapte op de borstwering, verjoeg den wijsgeerigen uil, die wat van ’m leek te moeten hebben, zóó als-ie 'm ankeek — en bestaarde voor ’t laatst het landschap, ’t kleur-vattend groen, de boomtoppen, de grafzerken.
De zon, nog onder den horizon, belichtte de nevellijn achter de velden, alsof een stofwolk door verre karossen gewenteld werd.
„Het is zuur,” peinsde hij zeer kort: „het is in élk opzicht zuur — de levensverzekering-maat-schappij zal chicaneeren — de ongevallen-maat-schappij dito. Vooruit, Jan van Schaffelaar — een man aarzelt niet!”
Toch, ofschoon man, aarzelde hij.
Zelfs mèt een leege maag heeft ’t leven z’n aangename zijden.
Welk eene gaping tusschen eergister en heden.
Toen ingezetene met ’n charmant huis en alle geneugten — vandaag ’n desperaat mensch boven ’n afgrond.
Wreeder kon t niet — acuter leerde ’t nauw-lijks de wereldhistorie.
’t Geritsel van den uil dreef hem in de diepte.
Als ze ontwaakten kreeg je ’n hartverscheurend afscheid.
Stevig de vingers klemmend om de gekwetste