196 DE TWEEDE KLEINE VERSCHRIKKING.
bloed zien zooveel as ’k wil en schrikken doe ’k heele-maal nie.”
„Nou as je wil,” zei aarzlend juffrouw Klos, zelf niet den minsten lust hebbend.
„Ik wil wel,” hield de meid an, zachter pratend of iemand te luistren stond.
„Dan zal ’k eerst de voordeur sluiten,” knikte juffrouw Klos: „met die kermis niewaar... en al dat vreemd volk... Waar is nou Jannie?... O, die kinderen... Nou staat ze zeker weer bij de koek-tent...”
Ze sloot de deur en de bel klingelde langzaam van slag, nog rekkerig schellend terwijl ze met Trijn in de zijkamer was.
Het nachtpitje, sterker brandend, belichtte ’t zeil van de tafel, de hangklok, de stoelen, twee met trijp overtrek, flaüwer de kist.
Het wit gordijn hing neer voor ’t raam, met vlakke riggels als van ’n jaloezie.
„Leit ze dallr in?” —, vroeg Trijn angstig van praten.
Het bruin van de kist op den grond had doffe spieg-lingen van ’t lichtje op tafel — ’n flard van het grijze behang woei er over, bewogen door ’t zuigen der deur.