184 DE TWEEDE KLEINE VERSCHRIKKING.
’n stoel, klepte de andre deur open, scharrelde in ’t keukentje, waar ze schel-vroolijk floot.
„Dan mot jij ’t maar doen,” zei juffrouw Klos, gedwee, met zenuwtrekken van ’r neus naar de mondhoeken.
„En ik doe ’t nie,” ruziede Jannie, spichtig: „ik hei de olie gehaald. — Laat zij ook is wat doen.”
Nijdig van schreeuwstem, riep ze door den kier van de deur: „moe zeit dat jij de pit mot ansteken — en anders krijg je geen centen.”
„Nou en vast nie!” —, schreeuwde Suus terug: „’k zal me pooten van nieuws-an vuil maken . . . Zijn jullie gek!”
„Dan zal j’is ’n keer minder schommelen,” sarde Jannie, „ik mot wel héelemaal thuisblijven, vuile egoïst!”
„Egoïst die ’t zeit, draak! ” —, schold Suus van uit de keuken.
„Draak? — Daar bin jij te stom voor! Mispunt!” —-, schold Jannie, ’n schop tegen de deur gevend van woede.
„Nou! Nou!”, suste juffrouw Klos huilerig: „maken jullie géén ruzie.... om zoo’n kleinigheid .... om zoo’n
kleinigheid me hoofd bonst toch zoo.... Dan zal
ik ’t wel doen”....