DE TWEEDE KLEINE VERSCHRIKKING. 161
half-huilend de likeurboonen vrat, zoo ’n honger as ze had. Ze zat op in ’t bed — de snerpende wind waaide pluimen zilverwit om ’t beenige hoofd — de franje van den omslagdoek slierde naar eén zij. Ze sprak geen woord. Doch toen Engel heengaande zee: „Nou — nog veul jaren, moeke” —, was ’r plots verzet in haar gekomen, verzet dat haar opdreef, schorrig dee raspen; „D’r is ’n God, hond, hond, hond!... Hónden allemaal...! ” Engel verbluft, half-bukkend in de deuropening had bruut omgekeken en gevraagd: „Wat mot dat nou...? Bin jij bedonderd!” Kort-aadmig van opwinding, had moeke kurkig gehijgd, met zwaar-dichte oogen en alleen ’t knoerstig gesnurk der varkens naastan had geklonken. Engel, grof en verlegen, had lömp de schouders geschokt, was in de loods blijven draaien bij de biggen, vloekend — al die komplementen en kouwe kak! Maar op Suus had ’t wanhoopsbeeld, de dreigende knokelhand, ’n hand van lang-maagre kootjes en vel en ’t witte gestuif der haren boven het bed, waaronder je den vroegeren trog en de schraag en de ouwe schoenen zag, indruk gemaakt. Ze haalde hout en ’n scheutje petrolie en ’n paar gesmeerde boterhammen — had ’t gevoel dat ze iets wönderlijks dee, iets waarvoor ze
11