132 DE EERSTE KLEINE VERSCHRIKKING.
Twee aan twee stapten we de hoofddeur van ’t heere-huis uit — in ’t fel mild-plassend zonlicht.
De zwarte baar met den grooten, fleurigen krans werd op de schouders der dragers geheven en schuifel-voetend achter den kleinen last, schoten je oogen vol dwaze tranen, omdat ’t zoo’n prachtig, helder-zonnig weer was, omdat al de kindren van ’t dorp uitge-loopen waren en met verbaasd-angstige gezichten naar de zwarte schraag keken.
Langzaam van slag, gonzing na gonzing, begon de torenklok te luiden.