ANGSTAVOND 127
, 5Strruikr00vers!’5 — gilde mevrouw door den kier.
„Klaas Boes! . . . Jut! Jut!” — schreeuwde Jans.
Hijgend, angstig tegenover den voet, die onwrikbaar bleef, die al hun hartstochten en vreezen verhoonde, leunden, schreeuwden ze en vocht mijnheer.
Keeshondje wefwefte allernijdigst.
Het was een hopelooze toestand, uiterst kritiek.
„Wat had je 5r an om ope te maken,” weenzuchtte mevrouw.
„Kallem, kallem, wróü,” zei mijnheer, die telkens kwaadaardige, vinnige pookuitvallen naar ’s moordenaar’s ekster-oogen dee.
Plotseling liep Jans ’n end achteruit.
„Meneèr! Meneèr!”. . .
„Wat gil je nou?” ....
„De mat zit 5r tussche! Hahaha!”
„Ze heeft gelijk, wroü!”
Overwinnelijk-zeker, met iets in zijn houding van Leonidas, trok mijnheer de mat recht, sloot de deur, schoof de grendels er voor en blij vroolijk klonk het geklik van het veiligheidsslot.
Keeshondje wefwefte
Koffie was koud geworden.