FONDANT 121
„Nee. Laat dat nou. Jc krijgt natte voeten voor niks. Jongen! Jongen! Loop jij eens even naar mijnheer in den badstoel en zeg dat-ie wakker moet worden.”
„Best mevrouw.”
„Da’s zoo’n goeie jongen, hè. Die doet alles voor je.59
„Wat staat-ie nou te kijken?”
„Meneér wak-ker ma-ke!”, schreeuwt Cor tegen den wind in.
„Meneer — slaapt — zoo — va-hast!” schreeuwt de jongen terug.
„Schud 5m maar!” schreeuwt mevrouw, met de fondant in den mond.
De jongen schudt. Ze zien in de schemering den gelen badstoel, de broekspijpen, de opgetrokken knieën en de jongen op z’n bloote voeten, die naar den badstoel buigt, schreeuwt, schudt.
„Hen-de-rik! Hen-de-rik!”
„Oo-mè!”
Toen kwam de jongen door het water plassen.
„Meneer lijkt wel dood”, zegt-ie: „hij leit heelemaal weggezakt en zoo koud.”
„Wat 5s dat!” zegt tante onrustig. Met d’r verlakte schoenen en nog zuigend op de taaie fondant, loopt ze door het laagje borrelend, schuimend water, begint d’r man te schudden, die met groote, dooie oogen naar de zee ligt te kijken.
„Hen-de-rik! Hen-de-rik! Hein! Hein!”
Oom was stilletjes dood gegaan.