GESTOORDE WEELDE-WANDELING.
weelde-sentiment van ’n pas-benoemd hofleverancier, die aan niemand verplichting had, bij niemand in schuld stond, dacht-ie, dat zelfs ’t kanalje ’m dezen dag niet zou verstoren.
Hoe stugger, zelfgenoegzamer, in-zichzelf-opge-slotener, beradener, hij echter liep, hoe stupieder, hinderlijker, driester de menigte zich betoonde.
Dames begonnen mee te doen, wezen naar z’n kuiten, lachten in ’t bijzonder naar Jimmy’s zij; ’n uitermate net-gekleed heer, die met de dochter van ’n klant gearmd liep — ’n geëngageerd paartje, om door ’n ringetje te halen! — haalde de onbetamelijke grap uit, om dicht bij Maximiliaan Braat halt te houden en den rinkel-schellenden Jimmy te fluiten, wat z’n meisje aller-ongemanierdst deed schaterlachen.
De prachtige stemming des heeren Braat, ancienne maison Bonheur & Co., zakte bedenkelijk. Om de inplanting zijner neusvleugels sneden twee maantjes aanwittende gramschap. Wat moest ’n vreemdeling denken, als-ie op die manier, om wat gezetheid en om ’n beeld van ’n schippertje, de risée van ’n Zondagsch publiek werd? Ja, Bonheur & Co., de zaak waar de stad prat op mocht zijn, kon ze wel Fransch schoenwerk an d’r voeten gieten, maar Fransche wellevendheid zou in de eerste kwart-eeuw niet te importeeren zijn! Dat heette dame en heer — dat kleedde zich fatsoenlijk — dat sprak gemaakt — dat gedroeg zich als ’n bende boeren en boerinnen op ’n kermis.....
De heer Braat wandelde ’n kwartier tegen allen glimlach in, nauwlijks luisterend naar de gemeenheden, de misselijke grappen, de voor-de-gek-houde-rijen.
Morgen op z’n kantoor, zou-ie doen wat-ie nog nooit had gedaan: ’n ingezonden stuk aan ’n krant