MUZIEK-VERHEUGENIS.
(Voor Leopold Godowsky).
Aanteekeningen.
Was ’t niet Diepenbrock die ’t zeide, verbolgen en met schampre deernis, sarcastisch en diepst uit-de-hoogte, dat de letterkundigen des tijds, zwaar-bepakt, zoomede bemodderd van schoenwerk, het schoone Zijn der Muziek onverschilligst voorbijstappen? Inderdaad, de schrifturen van lof en verheerlijking, de juichliederen en lyrische dankstij-gingen zijn zoo schaarsch wel te garen als pimpernellen en teere silenen in ’t bed van ’n mesvaalt....
Ik zelf, benauwende herinnering, heb ’t juist twee jaar geleden allerheftigst over „absolute muziek” aan den stok gehad, naar aanleiding van Beethovend Zevende symphonie en m’n absurde meening dat er „something rotten” is in de verhouding der vele kunsten. Sinds dien, onverveerd en snoeplustig, gebiologeerd als ’n vlinder bij de vlam, als ’n geleerde door de bronlijnen van den Pentateuchus, als *n kind voor de étalage-verblindingen eens pasteibakkers ter periode der Paasch-eieren of Sinter-klaas-uitbundigheden — heb 'k me, bij hernieuwing,