INTÉRIEUR.
„’k Begrijp waarom u ’r naar kijkt,” zei de jonge vrouw, die ons de kamers had laten zien: „en omdat u niet denken zal dat we nonchalant zijn, of dat me kinderen met familieportretten spelen, wil ik u de verklaring geven, als u ’n oogenblikje tijd heeft.”
Inderdaad ’n weinig verwonderd over zulk eene verminking — achter glas en met gedroogde bloemen versierd — bleven we luisteren.
„Nog geen tien jaar gelejen — in zeven-en-ne-
gentig — trouwde m’n zuster. Zij was dolblij, overgelukkig. Wij, m’n moeder en ik — vader is lang dood — voelden ons ellendig. Niet alleen dat we geen uur van mekaar waren geweest, dat we pretjes en verdrietjes hadden gedeeld — meer displezier
as genoegen, meneer! —, dat we week in, week
uit, om ’t hardst hadden gesloofd om met naaien en handwerken den kost te verdienen — dat nog niet eens meegeteld — ’t ergste, naargeestigste van den bruiloftsdag was de komedie van ’t trouwen met den handschoen, en natuurlijk de afwezigheid van den bruigom! As je eenige zuster op die manier naar ’t stadhuis rijdt, ’n broer van den aanstaanden man ’t gekscherend per volmacht doet, je voorSCHETSEN FALKLAND. XII. II