KINDEREN DER ZORG. 145
ter — ’r steekt ’n kop met opgeknot haar over *n kozijn — ’r geelt de schil van 'n sinaasappel in de modder van 'n straatje — 'r schemert de dans van breedheupige, paars-bekkige meiden in 'n bierhuis — ’t eier-gepel in 'n schaftkelder — de troebele walm van tabak en jenever — 't vraatknauwen van ’n graat door ’n bolruggige kat — de slierende stooming eener lamp — 't grijze-haren-geslurf langs ’n oker rimpel-gelaat — ’t staren, vochtigen, wachten, wèèr staren, verwijten, vragen, be-rus-ten van duizenden, duizenden, nog eens duizenden oogen, oogen met zorg, monden met zorg, gebukte ruggen met zorg, stemmen met zorg. O, de advertentiekolommen der allerkleinste, onhoorbaarste, passiefste burgerij — zwiepen een stoet aan van zorg-mensch-jes, in-zorg-gebrokenen, ouwe, jonge, nog-op-’n-toe-komst-hopenden, fatsoenlijk-’t-uitschrééuwenden, een stoet zonder einde, zonder kleur, zonder mènsche-üjks. Want ’n mensch is een prachtig dier, geboren om naar het spel van zon en wolken te kijken, ’n Mensch is in z’n diepsten aard goed en zorgeloos, omdat-ie eens kind was, ’n kind de volkomenheid ver-zinnebeeldt — en op lateren leeftijd zich naar de omgeving richt, de Maatschappij — zonder maats.
„Vreemd,” zeide dezer dagen een geleerde, de gekweekte bacteriën in een reageerbuis met verliefde oogjes bewonderend: „ ... vreemd dat er bijna geen zuur meer bestaat, dat we vroeger anorganisch taxeerden, zonder waarlijk telende bacterie-soort. Vreemd dat niemand eens op den weelde-inval komt wat gezonde kinderen in een mooie streek af te zonderen, afgezonderd van alle vernielende invloeden, om op die wijze na te gaan hoe een mensch uit zichzelf wordt*.... Dwaze, beminnelijke onderzoeker! Hoe fameus humoristisch contrasteert uw reageerbuisje met de annonce:
Schetsen Falkland. XII. 10