7 o GR O O TMOEDER TJE.
„God, wat scheelt de oude vrouw!”
Ze lag schuin weggezakt in den armstoel, met oogen waarvan het wit nog te zien was. George begon te huilen en de vrouwen keken krijtwit toe.
„Geef dan water en zit niet als zoutpilaren!” schreeuwde vader. Gerrit sprenkelde met azijn. „George hou op met je gekrijsch!”
„Als ze maar niet doodgaat! Oooo!”
„Hou je bakkes, kwajongen!”
Ze hadden de oude vrouw op de sofa gelegd. Het grijze pluishaar pluimde in vlokken op het roode kussen.
„Geef d’r wat lucht bij d’r hals.. . Kom Trui, verroer je ’s!”
Trui en Marie maakten de japon los, Gerrit hield wat azijn onder den neus, de zoon wreef de kurkige skelet-handen.
„Wat haal je uit d’r zak?”
„’n Flessie.”
„Laat ’s ruiken.”
Eerst rook de vrouw, toen de man.
„Hoe komt ze aan jene.. .” vroeg-ie nijdig. „Hou je mond.”
Ze keken elkaar aan, hielden d’r mond voor de kinderen.
„Ze komt al bij, pa!”
„Zouen we d’r op bed leggen?”
„Laat ze eerst heelemaal bijkomen.”
„Gaat ’t wat beter, moeder?”
Flauwtjes opende ze de oogen, keek nóg-bewus-teloos om zich heen, sloot de oogen en bleef stil liggen.
„Kom nou, moeder!”
„Hoe gaat ’t grootmoe?”
Er kwam weer leven in de oude vrouw. Ze keek van Karel naar Marie, van Marie naar George.