MOPJE. 227
„Op de bierbrouwerij.”
„Breng ’t beest dan weer terug!”
„Wel nee... Je weet toch dat het ons paard is!” „ Ons paard ? . . . Hebben wij een paard ? Hebben wij .. . een paard?”
„Je hebt me toch geld gegeven om er een te koopen!”
„Zè jou geld gegeven . . . Ben je gek?”
„Ach je slaapt! ... Je gaf me duizend gulden... Hier heb je de drie cent terug die ik over heb.” „Nou maar ik wil het beest hier niet hebben.” „Die is ook goed! Daar komt een agent an .. . Ik kan het toch niet buiten laten staan.”
„Kaik dat beest ’s sweite! Is dat ’n dier dood-rijen” —, zei een van de meiden van de waschvrouw.
„Bemoei je d’r niet mee,” zei Lou, „anders krijg je de wasch niet meer.”
„We binnen om jullie wasch niet verlegen, ’n wasch van twee hemmetjes, twee kapotte onderbroeken”... „Maak nou geen spektakel voor de deur,” zei ik. „Betaal liever mijn rekening” — bromde de bakker: „Koop jij een paard, als de straat niks meer van je mot hebben!”
,,’t Is Godbeterme schande, zooals dat beest schwitzt” — schreeuwde de schoenlapper, die een halve Duitscher is.
’t Werd een benauwd relletje. Ze drongen hoe langer hoe meer op.
„Wees toch voorzichtig!” riep ik — „als ’t beest achteruit trapt, krijg je ongelukken.”
„Hij trapt niet achteruit!”, zei Lou.
„Stommerik,” zei ik zacht.
Maar op eens begon het beest geweldig te hinniken. Het was een gehinnik zóo schel als van een
stoomfluit. Van schrik liet de bakker zijn brooden
vallen. De merrie beet er in.
Schetsen Falkland. I. 15*