De bel luidde onbehaaglijk.
„Ik kom, ik kom!”
Voor de deur was Lou.
„Wat is dat voor krankzinnigheid!”
Lou stond op de stoep en hield aan de teugels een breed bruin paard. Het was een stevige merrie, zooals er voor de wagens der Heineken’s bierbrouwerij loopen, een beest met zware schoften en een verständigen grooten kop. Op den gladden rug lag een zadel. Het paard zweette van het draven. Bij elk van zijn pooten lag een plasje, dat met dunne straaltjes naar het straatriool liep. Om Lou en het paard stond de heele buurt. Daar had je de meiden van de waschvrouw, die tegen me grinnikten, de bakker met lange brooden onder zijn arm, de melkvrouw met volle putsen melk, de schoenlapper, de bovenbuurtjes. Ze stonden allemaal te gapen naar het paard, naar Lou en naar mij. In de verte zag ik een diender.
„Wat is dat voor krankzinnigheid?”... zei ik nog eens.
„Ik ben wezen paardrijden,” zei Lou. „Paardrijden?... Paardrijden?... Waar heb je dat geleerd?”