BEZOEK. 217
gericht op het roode licht van het plafond. Het waren in-krachtlooze oogenblikken, zooals ieder ze heeft, oogenblikken, waarin de afmatting van kamerleven zich triestig concentreert.
Er werd gebeld. Bij zessen. Dat zou de post wel weer zijn. Dinsdag. Ik wist precies wat er in de bus lag. Dinsdag kwam dat krantje. Anders niets. Ik zou het maar ophalen en weer eten en wandelen door de Van Wou-, door de Utrechtsche-, door de Kal-verstraat
Op de vloermat lag het krantje. Ook een brief in rose envelop. Het was een vrouwenhand. Bij het licht van de kachel las ik langzaam woord voor woord. De handteekening stond er scherp en raak, met een streep er onder. Wonderlijk. In dit moment van slapheid en depressie, kwam plots een meisjesbrief, ongekunsteld, met een heldere meisjes-extase voor kort geleden geschreven nietigheidjes. Het stond er typisch-grappig — „Ik ben negentien en zou zoo graag eens met u kennismaken. Maar pa en ma weten er niets van dat ik u dezen brief schrijf. Wil u dus antwoorden poste restante ?” Door de lauwheid van de kamer leek een vonkje plezier te knetteren. Waren er dan toch voor wie ik iets was? Mal. Wel mal. Ik las nog eens en nóg eens. Het was verbazend frisch-opge wonden.
Maar bij de vierde lezing kwam er een groot wantrouwen. Het was eigenlijk een verdacht briefje — een meisje van negentien jaar, die aan een ongetrouwd jongmensch in die termen schrijft — pa en ma, die er niets van wisten — een geheime correspondentie/^/^ restante. Ja, het was een verdacht briefje. Welke vriend wou me er eens doen inloopen ? Wat zouen ze gieren van *t lachen als ik antwoordde en er serieus op in ging. Had ik dit handschrift niet meer gezien?