Ik zat voor het raam in een groote stemming van dfcwz-heid. Het leven ging sukkelachtig-egaal en de beroepsdingetjes drukten zwaarder dan ooit. In zoo’n stemming bekijk je alles landerig en beu. Uit de deur van ’t „Heilsleger” kwam een bleeke man. Wat verderop werd een leelijke meid met groote open neusgaten voortgesjouwd door een manken hond-mormel. Een nijdige wind zwiepte snuifsneeuw op.
Apathisch keek ik naar de dingen. Het was het dommeluurtje voor het eten. De kachel stond gloeiend, schemerde rooderig licht tegen het plafond. Over een half uur zouen de boeken van de tafel geruimd worden, zou er gerinkeld worden met borden, zouen we eten . .. Over anderhalf uur zouen de beenen bewegen door de Van Woustraat, door de Utrecht-sche straat, door de Kalverstraat... De vaste, plichtmatige wandeling van een zeer fatsoenlijk bourgeois . .. Dan wat werk en ’s nachts wéér de Kalverstraat, de Utrechtsche straat, de Van Woustraat... Dan het bed en morgen alles hetzelfde, als een klok tikketak, als een schoothondje, dat op den juisten tijd moet uitgelaten worden.
Het werd donkerder.
Het was een wel hopeloos schemeruurtje; de oogen