202 KAMERHOEK.
vest.. . Nee blijf nou zitten ... Ik heb ’t al... Jan-nie wat een dikkert! .. . ’t Lijkt d’r wel een uit je snor .. . Kijk eens! ”
Ze lag op haar knieën, hield het haartje tegen het licht. ... „Jannie wat ben je vreemd!... Is er iets gebeurd” .. .
„Nee, nee, nee, kind... Sta nou op.”
„Is de krant nog niet uit?”
„Nee.”
„Lees dan strakjes verder! ... Laat me even zoo zitten.”
Ze bleef met het blonde, pluimende haar tegen hem aangeleund. Zacht wolde het tegen zijn kin. Hij moest haar toch even zoenen.
„Prik je niet aan de haarspelden.”
„Nee, snoetje.”
Hij vouwde de handen tegen haar achterhoofd, streelde haar zacht en ging zoo kijken in de gasvlam, die in den melkwitten ballon te wuiven stond als een veer.
„Jannie wat ben je stil.”
„Ik ben niet stil, kind. Ik zit te denken.” „Waaran denk je?”
„An niks.”
„Ik geloof je niet. Er is iets gebeurd.”
„Wees nou niet kinderachtig, vrouwtje... Er is niets, er is niets gebeurd ... Laat me nou even rustig zitten.”
Ze zweeg, aanduwend het blonde hoofd tegen zijn borst. Hij hoorde precies de rustige ademgeluidjes, keek in de kleine gasvlam, die nu weer leek een vlinder met onrustige, gele, vleugels.
— Kwam het dan weer terug. — Was het niet te begraven in de gezonde, eerlijke oogen van een vrouw — niet te vergeten in den kring van geluk, die in alle woningen is. — Was het niet weggekust