Even keek hij nog naar den lichtenden hemel, stak den sleutel in het slot, veegde de voeten langzaam op de vloermat, ging de voortreedjes op en opende de kamerdeur. Met het blonde, pluimende haar, dat een groote kuif leek, zat ze bij ’t licht. De gasarm hing laag, tot op de tafel. De koffie gaf stootende schokjes boven het olielicht. Er was een aangename warmte, alles sloeg hem gezellig tegen. Het was zijn vriendelijk, gelukkig thuis.
Ze lei het wollen kinderrokje neer dat ze bezig was te breien, stond op, sloeg de armen om zijn hals, zoende hem op zijn mond, op zijn oogen. „Ben je er e i n d e 1 ij k ?”
„Eindelijk?”
„’t Is over twaalf.”
„Wel nee.”
„Heb je veel te doen gehad?”
„Nee — ik ben opgehouen.”
„Ben je niet goed?”
,,’n Beetje moe."
„Ga dan gauw zitten — hier zijn je tofFels — Trek je je boord niet uit?”
„Zeker kind.”
„Wat ben je koel, van avond.”