Toen ze nu geleefd had vijf-en-twintig jaar, kwam er een zeer groote gebeurtenis in haar leven.
Er geschiedde niets anders dan dat de schel overging, dat zuster Riek van haar borduurwerk opvloog, de trap af bonsde, boven kwam met een brief, de rhumatieke moeder het couvert openscheurde én Jo een paar zoenen gaf.
Jo prikte zich bijna in de hand bij het borduren. Er moest wel iets heel krankzinnigs in den brief staan, als moeder an ’t zoenen ging.
„O, Jo, o Jo, wat ’n nieuws! Riek! Riek, wat ’n nieuws!” ...
„Wat dan toch,* zei Jo nieuwsgierig.
„Hij vraagt om je hand!”
„Wie?*
„Wie zou je nou denken, zeg? Mensch, doe nou niet zoo verwonderd?*
Jo had den brief al te pakken. Riek las over haar schouder mee.
Jo las stil door. Riek begon na het eerste velletje als een ideoot te dansen door de kamer, brullend: „We gaan allemaal mee naar Indië, we gaan allemaal mee!*
„Nou, wat zeg je d’r van?*