A VOND VERHAAL T/E.
Pop zat op een kist, wind aanblazend met haar voorschoot. Hen lag moe met een paar vuile vegen op z’n gezicht in den eenigen vrijen leunstoel. „Goddank, we zijn over/
„Goddank.”
„Als ’t een beetje had tegengeloopen, hadden we op straat gestaan/
„Jouw schuld/
„Maar Hen!”
„Jouw schuld... Als je zwart op wit genomen had"...
„Nee, begin nou niet nóg eens!”
Ze waren elkander al aan *t afzoenen.
„Laat me nou los, anders kunnen we vannacht op den grond slapen!”
... „Binnen!”
Het was de bewoner van het benedenhuis.
„Ben u heelemaal klaar, meneer?”
„Ja, ’t laatste stuk dat geheschen moest worden is binnen/
„Dan zal ik mijn spion weer uitsteken.”
„Doe u ’t gerust. U wordt vriendelijk bedankt.” „Slaapt u hier vannacht?”
„Mijn vrouw hoopt met de alkoof klaar te zijn tegen den avond/
„Zoo, zoo! Anders in lang niet bewoond geweest.” „Da’s treurig/ zei Hen, meteen opkomen van z’n ouden spot tegenover het babbelziek manneke. Pop kneep hem zenuwachtig in z’n arm. Als Hen zoo begon, wist ze dat ze zou gaan proesten, met van die benauwde piepgilletjes.
„U is zeker niet bang uitgevallen?"
„Bang?”
Pop kneep hem in z’n arm.
„Bijgeloovig bedoel ik. Niemand wou deze etaazie betrekken/