KLINIEK. 183
Aarzelend, *t zelf nog vreemd vindend, begon de student.
„Hoe is je naam?”
„Rika Bosch” ...
„Hoe oud ben je?”
„Veertien in December...”
„Leven je vader en moeder nog?”
„Vader is dood” .. .
„Waaraan is-ie gestorven?”
„Weet ik niet” ...
„Is je moeder gezond?”
... „Ze was gister verkouën” ...
Het doezelig November-licht scheen rustig in de kliniek-zaal. Sterk-verlicht stond het ijzeren bed met het meisje, omringd door de studenten. Alleen de stemmen van den vragenden student, het kind, soms die van den professor klonken.
De roodgloeiende kachel pruttelde, een voet werd verschoven, een blaadje papier ritselde, een harde puntige pen kraste op een boek. Op een der drie lange, bruine tafels glimmerden kantige schamplichten van instrumenten, kolven en flesschen. Geen geluid kwam van de binnenplaats.
Waswit lag zij in het bed. Het zwarte haar was netjes weggestreken onder het witte mutsje. De muts was strak-witter dan het gezicht, dat al zijn jeugdige volheid had. Blauwe aders waren als stroeve vegen in het wit van den hals. Ze lag als een marmeren beeldje met blauwe marmer-aren. Maar er was een benauwend leven in haar. De oogen, glanzig en wonderlijk groot, keken met sterke uitstraling van leven naar den student, naar den professor, naar de anderen. De dunne, scherp-witte neusvleugels bewogen snel, snél, zonder ophouden. Ze had dood kunnen zijn als de oogen niet zoo bran