Nu zitten ze allen om de propere tafel. Vader, die van warmte houdt, zoo dicht mogelijk bij den open haard. Moeder vlak over hem. Klaar giegelt met Leentje. Marie zet de flesschen wijn bij het vuur. „Wat een jammer dat Jo d’r niet is,” zegt moeder. „Wees nou maar stil. Maak den jongen niet uit z’n humeur!”
„Hij kan wel eens een avond buiten d’r," plaagt Klaar.
„Nest,” zegt hij, flauwtjes.
„Zullen we met de tong of met de kippen beginnen?” „Natuurlijk met de tong,” zegt moeder.
„Niet waar, met de kippen,” zegt vader.
„Hoe kun je nou zoo strijen,” zegt moeder; „je eet toch eerst visch.”
„Niet bij een souper,” zegt vader.
„De kippen, de kippen, de kippen!” roepen Klaar en Leen, die ’t dol vinden zoo laat te soupeeren. „Neem jij d’r ook een om voor te snijden!”
Dolf en vader beginnen tegelijk.
„Dolf, haast je! Kijken wie ’t éérst klaar is!” „Nee,” zegt moeder: „Doe ’t langzaam Dolf. Niet zoo zagen op de gewrichten!... Hè, wat kn ars je!” „Laat ’m toch z’n gang gaan!”