162 AMSTEL.
den. Een man houdt er een lat bij. Plof! ’t Vlammetje vlamt in het huisje van glas. In de tentjes op ’t ijs is een roodrig geschemer. De huizen aan de overzij lichten vierkantend. Het Amstelhötel staat statig en groot met heele vlakken van licht. Maar nog is er daglicht. De lucht is dichter genaderd tot de daken der huizen. De lucht is vet, goorwit, afhangend, als een volgevreten buik. Dicht bij de daken lekken strepen van rood, diffuseerend zachtviolet, doezelend saam heel-even tot een purperen kwijning.
Altijd nog rijden menschen beneden op ’t water, schuivend voorbij, zwartend in op elkander. Lange slange slieren egaal door de volte. Krakend en snerpen raspen de schaatsen over het ijs.
De man bij de brug, de man met de krukken en ’t stompje van been, trekt zich langzaam op aan de ijzeren spijlen. Eerst de kruk links, dan de kruk rechts. Hij strompelt voorzichtig, sleepend het levende been mee over den gladden bevroren grond. Stilletjes gaat hij zoo voort, pas voor pas, een, twee, — een, twee, verzettend de krukken, langs de verlichte ramen, langs de rijders, die dragen hun schaatsen, slaat links om en strompelt over de brug van Sarphati, waar de trams knoersig rijden met roode, gele en groene lichten.
Nu raakt hij verloren in de drukte, in de volte der menschen.
Op de plek, waar hij gezeten heeft, lijkt een adem van warmte te zijn gegaan, een warme menschen-adem tegen een koude ruit