ZUSTERS. 133
zoo drukkend, begon zij weer te spreken, hokkend van angst.
„Ben je boos, Frans?”
„Boos? .. . Och” ...
„Wat is ’t hier stil.”
Ja.”
„Vreeselek stil” . . .
Ja” . . .
„Waarom zeg je niks?”
Weer raakten de handen.
„God. .. martel me niet.”
*
Nu liep ze voor hem.
Naast elkaar gaan konden ze niet meer.
In zinnelijke bewondering keek hij naar het meisje, naar ’t nekje met krullende donsharen, naar de soepele lijnen van ?t lichaam, naar de voetjes in de kleine schoentjes, met ’t witte der kous even-nog-te-zien.
Hij had haar in z*n armen willen nemen, hartstochtelijk.
Ze waren hier alleen.
Heel alleen.
Maar ze keek om, angstig omdat hij zoo stil was.
Toen begon hij te praten, druk, opgewonden, over allerlei dingen, waarnaar zij niet luisterde.
Zij antwoordde lachend zonder dat hij ’t hoorde.
Ze durfden niet ophouden.
* *
*
Bij de greppel werd breeder het pad.
Er stroomde water in, niet veel.
Gister was ze nog droog.
Aarzelend stond zij stil.