i32 ZUSTERS.
„ ... Frans” ...
„ ... Je maakt ons allebei ongelukkig, allebei, versta je!”
„ ... Luister nou nóg eens, Frans... Voor het laatst... Ik w i 1 die dingen niet hooren .. . Hoe kun je zoo zijn!... Denk je dan heelemaal niet aan haar?... Heb je gister niet gezien, toen ze opzat, hoe bleek ze was .. . hoe blauw onder de oogen . . . Had je dan liever gehad dat ze dóód was gegaan? Als je ’t engagement verbreekt, dan . .. dan ... Durf jij de gevolgen .. . Doe ’t niet, Frans! .. . Ik bid het je!.. . Ik smeek het je!” ...
Hij keek haar aan in extase.
„Zeg me één ding ... maar eerlijk . . . Nee je moet me in de oogen kijken ... Zeg me ... Je houd van mij óók, Lize!”
„Nee.”
„Da’s niet waar!”
„Ik heb nóóit van je gehouen.”
„Nooit?”
„Nee... En ik zal ’t nóóit doen.”
Hij wist dat ze loog.
Zij voelde dat-ie haar niet geloofde.
* *
*
Nauwer werd de weg, die door het bosch kronkelde.
Telkens kroop voor hun voeten een lijn van licht, die door de blaren boorde en over den grond streepte.
Ze liepen langzaam in de stilte, kijkend naar dingen die zij niet zagen.
Even door de nauwte van het pad raakten ze elkanders handen.
Ze schrikten.
Omdat ’t zoo stil was, zoo eenzaam, zoo vreemd,