ii4 SCHIM.
De laarzenmaker is bezig houten pennen in een zool te hameren. Even tikt hij tegen z’n vuile pet. „Hoeveel krijg je nog van me?”
„Tien stuivers, meneer.”
„Asjeblief.”
„Dank u vriendelijk.”
In het zwarte hokje waar hij aan ’t werk is, wurmen twee halfnaakte kinderen. Het eene solt met een ouden schoen, het andere kauwt op een onherkenbaar voorwerp. Van achter walmt dik-warme lucht van vettig eten.
„Gaat ’t druk met het werk?"
„Kan beter. De huur is zoo zwaar en de winkels rippareeren tegenwoordig zelf.”
„Zit je dikwijls ’s nachts op?”
„Nou zoo wat geregeld ... D’r gaat tijd heen met dat lapwerk, hoor!”
„Ga je dan nóóit uit?”
„Nooit meneer.”
,’s Zondags?”
„Slaap ik.”
„Blijf je daar gezond bij?”
„Lekker als kip, meneer.”
Lekker als kip. Dichtbij is zijn hoofd, oud, geel, verworden.
Van nacht thuiskomend, was er weer licht in het pothuis. Het gordijntje was neer. Boven het zwarte vlak van het bordje was de silhouet van den werkenden man. De heele straat lag in rust Hier en daar was een venster verlicht, maar nergens een silhouet. Ik ben blijven staan, kijkend naar den gebogen vorm van het lijf, naar den arm die op en neer ging, naar het hoofd, dat er zoo bizar uitzag met zijn pluimingen van haar er om heen.
Ik ben blijven staan met dat ouwe gevoel van het mysterieuze: hij daarbinnen werkend, denkend