KIES.
Toen Bultje de laatste lantaarn had uitgedraaid, schouderde hij z’n lat, liep met ijverige dribbelpassen den langen weg terug.
Het was vijf uur. Grauwe morgenschemer damp-zwaar lag over de daken, ’r Slenterde rn agent, ’r Gingen werklieden vaal en plomp in het geaarzel van den komenden dag.
Bultje zette ’t tot ’n drafje. Zijn hoofd leek te verzinken in den zwarten, builenden rug. De lat met den haak dreigde als een speer.
„Wat heb jij ’n haast!”, riep de agent, de wollen handschoenen kloppend, dat de damp er langs schudde.
„O man! O man!”, schreeuwde Bultje, kortademig van het snelle gaan.
Meer zei hij niet.
Puffend, hijgend, liep hij de gracht over, sloeg het zijstraatje in, klopte aan de deur van de kelderwoning.
Marietje dee open. Haar wit gezichtje leek witter door den doek er om heen en den grauwen och-tendschemer die de ruiten aan de overzij glanzen deed met het staalgrijs eener stilstaande verschrikking.
83