ZELFMOORD.
„Doe wat je niet laten kan!” snauwde hij, z’n neus vegend driemaal achtereen — altijd teeken van groote gebelgdheid.
„Nou maar dat zal je deze keer zién,” riep zij larmoyant, en tragisch het koekedeeg neerzettend, liep zij op de kast toe, zette den door-de-weekschen hoed op, trok het manteltje aan. Terwijl stond haar mond geen seconde stil:
„As 'k dood ben — as ’k dood ben, heb jij ’t op je geweten! Jij! Jij! Ben jij ’n man! Jij ben geen man! Nog geen stuk van ’n man! Jij ben ’n beul! Jij drijft me ’t water in! Hoor je! Hoor je!” ...
„Schreeuw niet zoo voor de buren!” schreeuwde hij, haar met moeite in de rede vallend.
„Voor de büre! Voor de büre!” krijschte zij, opzettelijk harder én tragischer: „Iedereen mag ’t weten wat jij voor ’n kerel ben! Dat jij me ’t water indrijft! As ze me ophalen weten ze wie d’r schuld heeft! O! O, wat ’n kerel om zich met mijn keuken te bemoeien! Doe ’t nou maar zelf! Je heb me voor ’t laatst gezien! En da’s voor jóuw geweten, Judas, keukenhen, vrouwenbeul, vrouwenmoordenaar!”
*99