BEZOEKEN.
Precies drie uur werd er gebeld. Hij kwam nóóit te vroeg, nooit te laat. Altijd dezelfde flegmatieke accuratesse.
„Daar is pa, moe!” —, riep het kind door het spionnetje kijkend.
„Dat weet ’k wel — hoef je niet met zoo’n plezier te schreeuwen!” zei zij, bits. Ze haalde den kam door de blonde haren, trok de smul glad, praatte terwijl:
„Je mond houen, hoor?”
Ja, moe.”
„Niet je neus voorbij praten, niks vertellen van je moe, van je opa, van niemand....”
„Nee niks, moe!”
„ .. . Kun je niet even stil staan? Ben je zóó ongeduldig om ’m te zien? Je ziet ’m toch elke week!... Als je gaat huilen zend ik je naar je bed!... Mag je heelemaal niet!.... Nou?”
Het kind keek haar huilerig aan, met bevende trekking van ’t mondje.
Hartstochtelijk nam zij het in de armen, drukte het tegen zich aan, zoende het lang.
„ .. . Niet huilen! Niet huilen, schatje En
geen kwaad van me spreken!. .. Is mama niet
175