LIEVE BUREN.
„Geachte buurman — dat en dat praatje loopt over mij en mijn vrouw. Wij hechten daar nu wel weinig waarde aan, maar voor eene vrouw is zulk eene reputatie minder aangenaam. Mag ik u even mijn familieboekje laten zien?”
„Wel nee, mijnheer,” zei hij: „ik geloof u volkomen. En ik heb die verhalen ook nooit geloofd....” „Maar hoe kunnen ze dan in de wereld gekomen zijn?” informeerde ik met hevige belangstelling.
„Mijnheer,” lei hij na eenig nadenken uit: „vroeger hebben in uw huis verdachte lui gewoond met rooie gord ij nen. U heeft óók rooie gordijnen ■— en nu maken de menschen g e v o 1 g-trekkingen.”
„Dat is waar,” zei ik ernstig: „wy hebben de éénige rooie gordijnen van de straat.”
„Maar ik zou ze niet wegdoen,n meende mijn buur: „u moet er niet aan toegeven ....”
„Nee dat zullen wij niet,” verzekerde ik ernstig. Wij déden de rooie gordijnen niet weg. Het „schandaal” werd erger. Op een morgen had een jongetje uit de buurt met wit krijt iets erg-gemeens op de deur geschreven en een anderen dag toen mijn vrouw de deur openmaakte, werd een bloem-koolstronk naar binnen gesmeten. Dien avond huilde zij, wilde dadelijk verhuizen. Ik kalmeerde haar, bleef mijn pijp rooken, dacht na — ging naar de voorkamer. Op de ruit plakte ik een papier met vette letters:
Buren!! Attentie!!!! Buren !!
Daaronder hechtte ik mijn trouwakte. Vervolgens liet ik de twee roode gordijnen neer en sliep dien nacht overheerlijk. Eerst om elf uur ’s morgens — het was een Zondag — stond ik op, verwijderde