172 LIEVE BUREN.
Terwijl het gesprek even achter rookwolkjes te dutten lag, passeerden een dame en een heer.
„Is ’t hier?” hoorden wij de stem van de dame ijverig vragen.
En de heer die ’t blijkbaar shocking vond zulke gemeene zaken in plat-Hollandsch te zeggen, antwoordde rustig:
„Oui. Ces gens ne sont pas mariés...,”
Wij schoten gezamelijk in den lach. Wat viel er anders te doen?
„Daar kun je last mee krijgen in zoo’n nette buurt," meende daarna mijn vriend.
„Ach kom!”, lachte ik: „ze zullen wel wijzer worden. Ik kan toch moeilijk met mijn trouwakte gaan rondloopen!”
Mijn vrouw meende, dat ik er de politie in moest mengen. Ik hield vol dat als we een paar weken verder zouden zijn, de ijselijke lasterpraatjes vanzelf zouden verdwijnen.
Maar dat gebeurde niet. Het werd erger. De heele buurt keek ons na als we een enkele maal uit wandelen gingen. Voor onze woning fluisterden ze, glimlachten, toonden een zeer zonderlinge, hinderlijke benepenheid. Ik begreep in die dagen éénigszins hoè het leven van sommige vrouwen verbitterd wordt, als zij ongelukkigerwijs verzeild raken in een buurt van fatsoen.
Toen mijn vrouw — die langzamerhand onder die praatjes zenuwachtig en verdrietig werd — op een avond dat ze alleen een boodschap was wezen doen, door jongens was lastig gevallen, deed ik eindelijk, wat onder die omstandigheden te doen is — ik sprak den onbekenden buurman van no. 35 aan, die voor zijn huis een pijpje zat te rooken — het was zomeravond.
Ik stelde mij voor, viel met de deur in huis: