TRIESTIG DAGJE.
die zwijgenis van huizen, water, brugje, sluis? Waarom bracht het leven je na vele jaren terug als een vreemde, niet meer passend bij ’t oude, als ’n meneer die ’t allemaal met weifelenden weemoed onderging ?
Vroeger had je er smartjes en vreugden gehad — zooals je er nu dagelijks kende. — Opgeslokt was ’t alles in de onbegrensdheid van tijd, vervaagd, verstorven — öf tot je sprekend als ’n tastende blinde.
In je kamertje woonde ’n ander — zelf zat je als ’n meneer in een restaurant die zoo is keek en strakjes weer weg zou sporen....
Na yt eten zat ’k buiten — vóór het café. ’t Was vroeg. Er werd gebitterd. Links en rechts dronken ze.
Vlakbij een tafeltje met vier heeren.
Ja, diè waren het.
Ze waren het zéker. Je hoefde er niet aan te twijfelen.
En dan kroop de triestigheid sterker in je op.
Wat was die eene veranderd. 9t Laatst had je hem gekend als ’n jongen, frisch en gezond. Hij ging toen ook op school. Soms ontmoette je elkaar in de zwemschool. Dan speelde je in een clubje, dook naar beneden, haalde mosselen op, proestte, schoot weer weg. Je kende elkaar, zonder de namen te kennen. Je smeet elkander met water — je dreef op je rug, sloeg met je beenen dat het water melkwit stoof en opstampte — je droogde je dan en doolde door 9t Park. — Nu, zou j’m niet herkennen. Z’n neus was langer, z’n gezicht fletser, z’n oogen gecerneerd.
En naast ’m. Die andere. Die blonde. Daar was je bevriend mee geweest. Laat ’s kijken. Laat ’s