TRIESTIG DAGJE.
................... Toen ging ik eten.
Vroeger hadden wij naast dat Café gewoond — véél jaren geleden.
’k Had er niet aan gedacht. Maar nu ik zoo zat aan het marmeren blad van het tafeltje en de keil-ner in ijvrig beweeg het servet spreidde, vorken en messen aandroeg, borden neerzette — keek ik over de gracht en herinneringen leefden op.
Mijn kamer had hetzelfde uitzicht gehad.
Er was bijkans niets veranderd, niéts. Het was de óude bocht van goor, slijkrig water, met dezelfde verleefde huizen.
Ik herkende de vensters, de reclame-borden, de gooten, de daken. De huizen stonden in het water, suf, onveranderd. Groen waren de muren beneden beslagen, slip en vuil dat er in vast had gevreten.
Daar had je het bord van den lakenhandelaar, het loodgrijze bord met den naam .... E n g r o s.... En detail. Je zag achter de ruiten de planken met uitwippende pakken en wat verfrommeld geel papier en wat doozen.
Hoe kon dat alles zoo gebleven zijn?
Leek toch ’t eigen leven zoo ver-groeid, zoo ver-wijd naar dingen wier wezen geene voeling meer had met het ouwe bochtje van water.
138