TROUWE BET 137
En den weer volgenden morgen was de begrafenis. ...
* *
*
Ik ben alweer verplicht te dezer plaatse asterisken voor aanvullende gebeurtenis te schrijven. Er geschiedde niets bijzonders. Het oude mannetje zat alleen in de voorkamer, kijkend door het spionnetje, suffend, tobbend, denkend aan de wreede dagen, aan
den bebloeden looper, aan de trouwheid van Bet
die nu in de keuken bezig was het dagelijksch potje te koken.
Het was Zaterdag.
Het werd avond.
Bet had afgeruimd, den boel aan kant gezet. Ze zou even naar huis gaan, haar meubeltjes nazien, wat inkoopen doen.
„’k Heb me brief-ie maar weer klaar gemaakt as van ouds, meneer,” zei ze rustig. Ze dee dat
elke week. Voor het eerst zag hij het in. Op een
brokje behangselpapier had zij de berekening gemaakt van voorschotten en loon:
Voor twee pond zeep.....ƒ 0.20
Voor een dweil.......„0.20
Voor twee kaarsen....... 0.06
Voor vier dagen......„ 3.20
Voor het afleggen van de juffrouw „ 1.50
bij mekaar . . . ƒ5.16
„Wat staat daar ’t laatst ?” vroeg hij verschrikt.
„Voor het afleggen van de juffrouw, ’n daalder,” las zij: „da’s toch niet te veel, wel?”. ..
„Dus, dus... je heb dat in rekening”... Meer zei hij niet. Bevend lei hij het geld neer.
Trouwe Bet streek de centen op.